De repatriëring van politieke gevangenen, 1945

“Jef Reintjes, illegaal werker uit Eijsden (L.), werd bevrijd in het concentratiekamp Ebensee in Oostenrijk, waar de toestand tegen het einde van de oorlog een grimmig dieptepunt had bereikt. De honger had er de mensen dierlijk gemaakt, Russen aten er van de lijken. Het ging er ontstellend aan toe.

‘Op 6 mei 1945 stootten twee Amerikaanse tanks door in het kamp. Gevangenen hadden reeds een wit laken in de vlaggemast gehesen. KAPO’s [medegevangenen die in ruil voor privileges voor de SS dienst hadden gedaan als kamppolitie] werden afgemaakt; de voedselmagazijnen bestormd. Zelfs met deeg kwamen de uitgehongerde gevangenen naar buiten. Hongaarse krijgsgevangenen braken uit om ’s nachts op herten te schieten. Ook Russen en zwarthandelaars gingen ’s nachts met wapens van SS’ers op plundertocht. Herhaaldelijk werden boeren bedreigd. Zelfs de Amerikanen werd het te gortig. Er kwam een order dat niemand na vijf uur het kamp mocht verlaten.’

Pas op 24 mei konden de eerste Nederlanders uit Ebensee worden geëvacueerd. Een ‘Vliegend Fort’ dat in Linz voedselrantsoenen had gebracht vloog hen naar Merville in Noord-Frankrijk. Toen Reintjes uiteindelijk weer in Eijsden was teruggekeerd, bleek hoezeer de omstandigheden waaronder hij in Ebensee had verkeerd op hem hadden ingewerkt. Hij woog nog maar 34 kilo en was volkomen verwilderd. Hij at buiten, sliep op de grond en was ’s morgens al om vier uur in het veld om slakken te zoeken. Ook bleef hij ‘organiseren’ (van alles bij elkaar scharrelen en gappen). Zo openhartig als hij vroeger geweest was, zo gesloten bleek hij na zijn terugkeer uit de kampen. Niets interesseerde hem meer, nergens wilde hij naar toe.”

WAR & CONFLICT BOOKERA:  WORLD WAR II/WAR IN THE WEST/THE HOLOCAUST

Uitgemergelde gevangenen kort na de bevrijding van het concentratiekamp Ebensee.
(Bron: NARA FILE #: 111-SC-204480 – Public Domain)

 

Dit is een fragment uit ‘Ervaringen van politieke gevangenen tijdens hun repatriëring en na hun terugkomst in Nederland’, een tekst die ik in september 2000 gereed had in het kader van een uitgebreid onderzoek naar de terugkeer en opvang van gedeporteerde oorlogsslachtoffers in Nederland en die ik deze week na twaalf jaar weer tegenkwam. Mijn studie maakte indertijd deel uit van een veel groter onderzoek door de SOTO, de Stichting Onderzoek Terugkeer en Opvang [van Nederlandse vervolgden WO‐II], waaraan niet minder dan vijftig historici onder de vleugels van het NIOD meewerkten. Het onderzoek resulteerde in vier boeken: een allesomvattend boek door de hoofdauteur van het onderzoek (De Meelstreep, 2001) en drie boeken met deelstudies door andere onderzoekers (Mensenheugenis, 2001; Binnenskamers, 2002; Polderschouw, 2002).

Mijn bevindingen waren in grote lijn dat de politieke gevangenen bij terugkeer over het algemeen al lang blij waren dat ze het er levend vanaf gebracht hadden en weer thuis de draad konden oppakken. Er was onder hen zeker ook teleurstelling over hun terugkeer in de samenleving, maar die kwam volgens mij doorgaans pas veel later, bij het terugkijken op die periode en het streven naar erkenning. Die bevindingen stemden echter niet overeen met wat de hoofdauteur van mening was en in zijn boek uiteen wilde zetten: dat de politieke gevangenen al bij terugkeer veel meer van hun ontvangst en opvang hadden verwacht en dat zij zich tekort gedaan voelden en teleurgesteld waren dat zij, die immers vanwege de trouw aan hun principes en hun vaderland waren weggevoerd, bij hun terugkomst in Nederland geen betere behandeling hadden gekregen.

Hier liepen twee visies belangrijk uiteen en dat moest binnen één grootschalig onderzoek wel vragen oproepen. Ik vond dat mijn bevindingen correct en gegrond waren en ik meende dan ook dat het op z’n zachtst gezegd onjuist zou zijn om in te gaan op het verzoek om mijn verhaal aan te passen aan de conclusies van de hoofdauteur. Eenmaal in de waag aangekomen, kieperde ik al mijn postgereformeerde bagage op de ene kant van de weegschaal en daar steeg aan de andere kant de geldzak buiten bereik. Zo moeilijk was de afweging dus niet. Ik heb dan ook mijn ontslag aangeboden en mijn onderzoeksmateriaal aan de SOTO overgedragen. Dat ging in goede harmonie en ik heb van die beslissing ook nooit spijt van gehad.

Mijn materiaal werd vervolgens gedeeltelijk door een andere auteur gebruikt voor een hoofdstuk met een andere strekking (‘Teleurstellingen en successen van verzetsstrijders en politieke gevangenen’), die gelukkig wél aansloot bij de opvattingen van de hoofdauteur (zie: Mensenheugenis, red. H. Piersma, 2001, p. 21-43). En zo was de zaak opgelost.

Maar voor wie inmiddels toch benieuwd is naar wat indertijd dan wel mijn bevindingen waren, heb ik mijn stuk nu geplaatst op de pagina ‘Artikelen’ van deze website.

 * * *